webcasinogids.nl

De gezaghebbende stem in premium online gaming, slotanalyses en strategieën voor verantwoord spelen.

Hoge Raad bevestigt rechtsgeldigheid van pre-2021 overeenkomsten met Malta-gelicentieerde kansspelbedrijven

Carlo Perry · Jul 24, 2026

Hoge Raad bevestigt rechtsgeldigheid van pre-2021 overeenkomsten met Malta-gelicentieerde kansspelbedrijven

Hoge Raad gebouw in Den Haag met Nederlandse vlag

De Hoge Raad der Nederlanden heeft op 13 juni 2025 uitspraak gedaan in een reeks zaken die draaien om contracten met online kansspeloperators die vóór de invoering van de Wet kansspelen op afstand in 2021 actief waren in Nederland via een Malta-licentie, en die uitspraak verduidelijkt dat dergelijke overeenkomsten niet automatisch nietig zijn onder artikel 3:40 van het Burgerlijk Wetboek.

Achtergrond van de voorgelegde prejudiciële vragen

De rechtbanken van Amsterdam en Noord-Holland legden in 2024 meerdere prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad nadat spelers vorderingen tot terugbetaling van verliezen hadden ingesteld tegen operators zoals PartyCasino en PokerStars, met bedragen die in twee concrete gevallen opliepen tot meer dan 135.000 euro en 139.000 dollar over periodes tussen 2006 en 2021, terwijl de lagere rechters onduidelijkheid zagen over de werking van het verbod op onvergunde kansspelen uit de Wet op de kansspelen in combinatie met civielrechtelijke nietigheidsgronden.

De kern van het arrest van de Hoge Raad

Volgens het arrest van de Hoge Raad leidt het enkele feit dat een online kansspeloperator vóór 1 oktober 2021 geen Nederlandse vergunning bezat, niet automatisch tot nietigheid van de tussen speler en operator gesloten overeenkomsten, en daarom kunnen spelers niet op grond van dat verbod zonder meer teruggave van hun inzetten of verliezen vorderen, omdat de Wet op de kansspelen geen bepaling bevat die dergelijke contracten specifiek voor restitutiedoeleinden ongeldig verklaart.

De Hoge Raad benadrukt dat artikel 3:40 BW alleen tot nietigheid leidt wanneer een wettelijk verbod uitdrukkelijk de geldigheid van de rechtshandeling zelf raakt, en in dit geval ontbreekt zo’n uitdrukkelijke sanctie in de kansspelwetgeving die gold vóór de regulering van 2021.

Gevolgen voor lopende en toekomstige procedures

Rechtszaal met documenten en gokgerelateerde dossiers

Door de beantwoording van de prejudiciële vragen ontstaat nu een helder kader voor de behandeling van vergelijkbare claims bij de rechtbanken, en in juli 2026 zullen meerdere procedures die al aanhangig waren bij de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Noord-Holland verder worden behandeld met inachtneming van dit arrest, waardoor de focus verschuift naar eventuele andere civielrechtelijke grondslagen zoals dwaling of onverschuldigde betaling in plaats van automatische nietigheid.

De uitspraak raakt ook de positie van spelers die tussen 2006 en 2021 via Malta-gelicentieerde platforms speelden, omdat die spelers nu niet langer kunnen volstaan met een verwijzing naar het toenmalige verbod om hun verliezen terug te eisen, en de bewijslast verschuift naar het aantonen van bijkomende omstandigheden die de overeenkomst ongeldig maken.

Reacties vanuit de juridische praktijk

Advocaten die betrokken zijn bij kansspelzaken merken op dat de Hoge Raad een strikte scheiding aanbrengt tussen het publiekrechtelijke toezicht op kansspelen en het civielrechtelijke contractenrecht, en dat deze benadering consistent is met eerdere arresten over vergelijkbare sectoren waarin een vergunningsplicht gold zonder dat die automatisch leidde tot nietigheid van overeenkomsten met consumenten.

De Kansspelautoriteit heeft aangegeven dat het arrest geen gevolgen heeft voor het huidige toezicht op vergunde operators, omdat de regulering sinds 2021 een volledig ander kader creëert waarin alleen KSA-gelicentieerde aanbieders legaal actief mogen zijn in Nederland.

Conclusie

Met dit arrest heeft de Hoge Raad duidelijkheid geschapen over de rechtsgevolgen van pre-2021 kansspelovereenkomsten, en de lagere rechters kunnen nu verder procederen met inachtneming van het oordeel dat het verbod uit de Wet op de kansspelen niet automatisch leidt tot nietigheid voor restitutiedoeleinden, terwijl de betrokken spelers hun claims alleen nog kunnen baseren op andere mogelijke gronden binnen het Burgerlijk Wetboek.